Categories

Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

Delft Energy Initiative

Baten offshore wind onderschat

Dit opinieartikel van Dr. ir. Laurens de Vries, universitair hoofddocent en Dr. ir. Emile Chappin, universitair docent aan de TU Delft is deels gepubliceerd in het Financieele Dagblad van 10 oktober 2014

Deze week kwam in het nieuws dat de maatschappelijke kosten van grote windenergieparken op zee boven de baten uitstijgen. Een belangrijke bijdrage is dat ze niet zouden bijdragen aan het verminderen van de uitstoot van het broeikasgas CO2. Deze conclusie is contra-intuïtief: windmolens verminderen de emissies wel, maar het huidige systeem maakt die vermindering elders ongedaan. Dit geldt daarmee voor elke gesubsidieerde CO2 besparende technologie. Gevolg van deze weeffout is dat de baten van windenergie worden onderschat.

Europa heeft een absolute limiet gesteld aan de hoeveelheid CO2 die energie-intensieve sectoren mogen uitstoten. Er is een markt gecreëerd voor emissierechten om er voor te zorgen dat de vermindering van de uitstoot zo efficiënt mogelijk gebeurt. Wat gebeurt er nu als, met subsidie van de overheid, windparken op zee gebouwd worden? Er ontstaat ruimte onder het emissieplafond voor andere bedrijven om meer CO2 uit te stoten. Die zullen daar graag gebruik van maken, want het reduceren van emissies kost geld. Daardoor vermindert het bouwen van windparken de totale CO2 uitstoot van de EU niet.

Omdat het stimuleren van windenergie in het huidige systeem niet leidt tot CO2-besparing maar tot een kostenverlaging voor CO2-intensieve bedrijven, moet het CO2-emissieplafond omlaag met de emissies die we met de gesubsidieerde windparken voorkomen. Dan leidt een investering in windenergie ook werkelijk tot een duurzamere samenleving en valt de maatschappelijke kosten-batenanalyse van windenergie een stuk eerlijker uit.

 

 

Technologie onderbelicht in Energie-akkoord

Door Professor Paulien Herder, voorzitter Delft Energy Initiative en hoogleraar Engineering Systems Design in Energy & Industry en Chris Hellinga, wetenschapsadviseur bij Delft Energy Initiative.

‘We zullen over de bestaande hokjes heen moeten kijken om radicaal de bakens te verzetten’
Laten we vooropstellen dat dankzij het Energieakkoord veel partijen de schouders nu echt onder de energietransitie gaan zetten. Daarmee krijgen we meer lijn in gezamenlijke inspanningen om op de korte termijn iets te doen en ontstaat er een nieuw elan. In combinatie met vernieuwing van wet- en regelgeving en soepele subsidieprocedures kan er veel bereikt worden. Maar voor de echte doorstoot naar de lange termijn zal er meer aandacht moeten komen voor technische ontwikkeling en innovatie.

De maatregelen in het akkoord zijn veelal gebaseerd op bestaande technologie. Energie-innovatie speelt nauwelijks een rol in het Energieakkoord. Het is alsof wetenschap en technologie-ontwikkeling de komende decennia stil blijven staan. De gewenste omschakeling naar duurzame groei vergt nog veel innovatie

en visie op de meest kansrijke ontwikkelingen. Bovendien dienen die grote vervolgstappen in de juiste volgorde te worden gezet. Dat is niet alleen hard nodig om onze eigen energiehuishouding op een betaalbare manier betrouwbaar te houden en duurzaam te maken, het zal onze industrie ook de mogelijkheid bieden om in het internationale speelveld een sterke positie in te nemen. Tot nu toe hebben we veel kansen latenliggen. De bloei van de cleantechsector zit vooral in landen als Denemarken en Duitsland met een krachtig energietransitiebeleid. We krijgen nu hopelijk de kans daar aansluiting bij te vinden en laten we het dan meteen goed doen.

De verbinding tussen wetenschap en marktkansen
Nederland presteert goed in de internationale ranglijsten van wetenschappelijke excellentie en dat betreft met name het werk van publiek gefinancierd energieonderzoek, bij ECN, bij TNO, bij de drie technische universiteiten en andere universiteiten. Alleen al bij de TU Delft werken circa 700 wetenschappers en duizenden studenten aan energieinnovaties.
Het is vooral de kunst al dat talent effectief te benutten in de lastige discussies die voor ons liggen, en de agenda’s voor onderzoek en maatschappelijke ontwikkeling aan elkaar te knopen.
Neem windenergie. Vanuit Nederland hebben we vroeg onderkend (in de jaren ‘70 van de vorige eeuw) dat een wetenschappelijke benadering windenergie mede tot een economisch succes kan maken. Daar horen de namen van professor Gijs van Kuik en professor Gerard van Bussel bij. Wij hebben daar met onderzoeksbudgetten op geïnvesteerd, en roepen nu vaak trots dat de meeste windturbines in de wereld gebouwd zijn met Delftse kennis. Tot op de dag van vandaag spelen we een grote rol in het internationale wetenschappelijke ‘windcircuit’. Toch staan de grote windturbinefabrieken niet in Nederland. Het zal investeerders namelijk om het even zijn waar de kennis vandaan komt. Als je visie niet combineert met het uitrollen van marktkansen, mis je de boot. De Denen en Duitsers hebben wel hun nek uitgestoken, en daar bloeit de windindustrie. Deze link tussen langetermijnvisie en marktkansen missen we dus opnieuw in het Energieakkoord. Zet onze visionaire mensen ook aan tafel, en doe meer dan polderen alleen. Ondernemen is met open vizier risco’s aangaan, en niet (alleen) zo veel mogelijk draagvlak vinden. Polderen leidt tot het begaan van platgetreden paden ‘hoe houden we het zo goedkoop mogelijk’, en niet tot formules waarin nieuwe (technische) ontwikkelingen krachtig gestimuleerd worden om daar in de toekomst nieuwe inkomsten mee te genereren.

Stap in goede richting
Het topsectorenbeleid is een stap in de goede richting, maar er is meer nodig. Een heel belangrijk ingrediënt is de intensieve verbinding van het innovatieve mkb met de onderzoeksinstituten en universiteiten. Onze studenten starten eigen bedrijfjes, hebben visie op opkomende kansen en zouden vele marktkansen kunnen pakken als ze ondersteund en gestimuleerd worden in de uitwerking van concepten, producten en diensten. Universiteiten doen fundamenteel onderzoek met onderzoekers die daar in drie, vier jaar op promoveren. Zo’n constructie werkt minder makkelijk met het mkb: kleine ondernemers kunnen niet vier jaar wachten op resultaten, laat staan een traject van vier jaar bekostigen. Er zullen dus nieuwe structuren moeten komen om de knappe bollen dichter bij elkaar te brengen en elkaar te laten inspireren. En dat gaat zich ook vertalen in ander soort onderzoeksprogramma’s, al dan niet via de geijkte kanalen. De dynamiek die je hiermee creëert is zeker ook interessant voor de grote bedrijven, voor wie het vaak lastig is echt innovatieve ontwikkelingen in de eigen organisatie tijdig een plek te geven, zeker als die over de grenzen van de eigen kerncompetenties heen gaan. En de energietransitie wordt nu juist gekenmerkt door het feit dat bedrijven nieuwe businessmodellen nodig hebben. Energiemaatschappijen zitten met elektriciteitscentrales en andere assets die niet meer goed passen bij de huidige ontwikkelingen, en zullen verliezen moeten compenseren met nieuwe vormen van inkomsten. Aardgas, een belangrijke kurk van onze economie, raakt op en betrokken bedrijven zullen met iets nieuws moeten komen als ze op de langere termijn willen overleven. Hoe benutten we de komende jaren om de huidige inkomsten en onze expertise om te zetten in de energiedragers en -aders van de toekomst? Hoe kan de Rotterdamse haven het beste inspelen op de energie- en grondstoffenvoorziening van

de toekomst? We zullen over de bestaande hokjes heen moeten kijken om radicaal de bakens te verzetten, en wetenschap, kleine en grote bedrijven, en overheden op een effectieve manier te laten schakelen om het onderste uit de kan te halen.

Investering in onderzoek en ontwikkeling
Het is beslist een vereiste om meer budget vrij te maken vanuit de miljarden per

jaar die gemoeid zijn met de transitiemaatregelen vanuit het Energieakkoord, de SDE+ regeling, om structureel onze innovatiekracht te versterken. R&D- inspanning gaat over enkele procenten van de grote investeringen. Een paar procent extra zal zich op termijn ruim terugbetalen vanuit de grote economische cijfers. De wereld zal in deze eeuw een enorme draai moeten maken als we de toenemende wereldbevolking van een fatsoenlijk welvaartsniveau willen voorzien: er ontstaat een wereldmarkt die grote behoefte heeft aan nieuwe technologieën, producten en diensten die verantwoord aansluiten bij de behoeftes van burgers. Om daarvan ook economisch te profiteren, is het verstandig nu in onderzoek en ontwikkeling naar nieuwe technologieën te investeren, die zich zonder twijfel gaan terugbetalen en waarmee de transitie naar duurzame energie  wereldwijd versnelt.

De internationale context
Naast voldoende aandacht voor innovatie, mist het Energieakkoord een heldere reflectie op mondiale ontwikkelingen. Verder dan Europese samenwerking op de energietransportnetwerken gaat dit akkoord niet. De revolutie van schaliegas in de VS liet de  steenkoolprijzen zover dalen dat in Nederland nieuwe, schone gascentrales moeten sluiten. De snelle opmars van zon- en windenergie in Duitsland heeft directe consequenties voor de stabiliteit van onze elektriciteitsnetten. Innovatietrajecten vragen daarom om internationale samenwerking en afstemming. Onze universiteiten, kennisinstituten en internationaal opererende bedrijven zijn cruciaal om gezamenlijk die technologieën en beleidsinstrumenten te ontwikkelen waarmee innovatie evenwichtig kan worden gestimuleerd en gerealiseerd. Opnieuw een pleidooi deze partijen intensief bij het vervolgtraject te betrekken. De aanzet in het Energieakkoord voor een innovatietraject voor wind op zee zou ook in andere gebieden navolging moeten krijgen. Er is aandacht om geld vanuit de SDE+ regeling door te sluizen naar demonstratieprojecten, maar die staan niet in het teken van het bouwen van een goed innovatieklimaat waar we op internationale markten ook geld mee kunnen gaan verdienen. Alleen met een gedegen samenwerking in de ‘gouden driehoek’ (overheid, bedrijven, kennisinstellingen) komt er innovatie op nationaal niveau tot stand die internationale impact kan hebben.

Van nieuw elan naar een sterke innovatieagenda
Samengevat willen we nadrukkelijk pleiten voor een veel sterkere nadruk op de innovatiekansen van de energietransitie dan wat we nu in het Energieakkoord vinden. Geef universiteiten, instituten en innovatieve bedrijven de ruimte. Betrek ze nadrukkelijker bij de ontwikkelingen, en laat ze meesturen om de onderzoeks- en onderwijs agenda’s te vernieuwen en Nederlandse prioriteiten goed te laten aansluiten bij de grote ontwikkelingen in het buitenland. Beloon initiatieven die de kloof tussen wetenschap en industriële innovatie werkelijk kunnen verkleinen, zonder dat daar jaren overheen gaan.

Dit artikel is gepubliceerd in Infra nummer 4 – 2013

Bij de multinationale en veilige opslag van kernafval moeten ethische overwegingen leidend zijn.

Opslag van kernafval moet multinationaal
Behnam Taebi, universitair docent Techniekfilosofie TU Delft.

Kernenergie is en blijft een bron van controverse. Denk aan de aanhoudende bezorgdheid om Fukushima, waar men onlangs is begonnen met een riskante operatie – nooit eerder beproefd – om duizenden brandstofstaven te verwijderen.

Intussen vragen sommige critici zich af of het historische akkoord van 24 november wel voldoende non-proliferatiegaranties bevat om een kernwapen geheel onmogelijk te maken. Irans geval is bijzonder relevant vanwege de precedentwerking voor de maar liefst twintig nieuwe landen die de komende decennia tot de ‘nucleaire club’ zullen willen toetreden. Over welke nucleaire technologieën mogen die landen beschikken?

Ondanks de verhitte debatten over kernenergie, staat bijna vast dat er over de hele wereld meer centrales bijgebouwd gaan worden, met steeds meer kernafval als gevolg. Al ruim vijftig jaar produceren we kernafval en het zal nog honderdduizenden jaren radioactief blijven. De mensheid ziet zich dus gesteld voor een enorm, nog onopgelost probleem.

Internationaal heerst een consensus dat kernenergieproducerende landen zelf verantwoordelijk zijn voor de geologische opslag van hun afval. Er is echter ook groeiende belangstelling voor ‘multinationale eindopslag’, bestemd voor afval uit meer dan één land. Multinationale eindopslag heeft aanzienlijke economische en veiligheidsvoordelen, zeker voor het groeiend aantal kleine leden van de nucleaire club met relatief kleine hoeveelheden afval.

Kernafvalorganisaties in tien EU-landen, waaronder Nederland, bestuderen nu de mogelijkheden van deze opslagplaatsen. EU-wetgeving schrijft voor dat de lidstaten een nationaal programma moeten hebben, maar de deur blijft open voor Europese samenwerking. Ook het Nederlands beleid gaat uit van een duaal traject: minister Kamp noemt in een brief aan de Tweede Kamer (26 september) de mogelijkheid van internationale samenwerking expliciet.

Het IAEA constateert een toenemende belangstelling voor deze opslagplaatsen. En op kleine schaal bestaan ze al. Iran ‘least’ bijvoorbeeld brandstof van Rusland voor zijn energiecentrale. Het bestaan van dit leasecontract heeft de onderhandelingen met de 5 plus 1 aanzienlijk versoepeld. De gebruikte brandstof met daarin plutonium (waarmee in principe een kernwapen kan worden gemaakt) gaat nu immers terug naar Rusland.

We kunnen grote vraagtekens zetten bij de relevantie van nationale grenzen voor projecten met een levensduur van honderdduizenden jaren. Aanhangers van multinationale opslag noemen vaak Ljubljana, de hoofdstad van Slovenië, dat alleen al in de laatste eeuw op het grondgebied van zes verschillende landen heeft gelegen. Slovenië kan vandaag dus, als soevereine staat, unilaterale beslissingen nemen die in de toekomst andere landen gaan treffen, als de grenzen weer eens verschuiven.

En stel dat Slovenië bereid zou zijn het afval van andere Europese landen op te slaan, zouden de buurlanden Oostenrijk, Italië, Kroatië en Hongarije dan bij de besluitvorming moeten worden betrokken? En, zo ja, hoe? Het is dus duidelijk dat, wil multinationale eindopslag succesvol en rechtvaardig zijn, er tussen meerdere belanghebbende landen afspraken zullen moeten worden gemaakt: het gastland, zijn buurlanden, de kernafvalexporterende landen, en de landen over wiens grondgebied het afval zou moeten worden vervoerd.

In de discussie rond multinationale opslag wordt er steeds op gehamerd dat ‘publieke acceptatie’ in het gastland gewaarborgd moet zijn. Dat staat buiten kijf. Toch kan een exclusieve nadruk op publieke acceptatie besluitvormers blind maken voor belangrijke vraagstukken van ethiek en internationale rechtvaardigheid. De instemming van een gastland kan immers voortkomen uit zijn scheve economische of politieke machtsverhouding met andere landen.

De situatie zou dan sterk gaan lijken op die in de jaren zeventig en tachtig, toen chemisch afval werd geëxporteerd van industriële naar niet-industriële landen. De voornaamste reden was de aangescherpte milieuwetgeving in ontwikkelde landen. Firma’s kozen dus voor de goedkopere optie om afval te exporteren naar, voornamelijk, Afrikaanse landen die zulke wetgeving niet hebben. Om deze onrechtvaardigheid tegen te gaan, kwam in 1989 het Verdrag van Bazel tot stand, dat producerende landen verbiedt chemisch afval naar andere landen te exporteren.

Daar valt kernafval dus niet onder. Maar verwaarlozing van de ethische aspecten bij de besluitvorming rond multinationale opslagplaatsen zou kunnen leiden tot een aanpassing van het Verdrag van Bazel, of tot overeenkomsten die de ontwikkeling van multinationale opslagplaatsen een halt toeroepen. Zo hebben sommige landen, waaronder Zweden en Brazilië, al nationale wetgeving die in- en uitvoer van kernafval verbiedt.

Als het afvalprobleem effectief wordt aangepakt, biedt de concentratie van kernafval uit verschillende landen in multinationale opslagplaatsen belangrijke voordelen. Anders beleven we een onstuitbare woekering van nationale opslagplaatsen.

De mensheid staat voor een enorme uitdaging. Bij de oplossing van het probleem van de veilige eindopslag moet ethiek leidend zijn. Voor alle landen staat er te veel op het spel.

Dit opinie-artikel is gepubliceerd in De Volkskrant van 4 december 2013 op p. 34.

Schaliegas vergt betrokkenheid van alle belanghebbenden

Bedenk technologisch compromis

Minister Kamp stelt dat de winning van schaliegas alleen mogelijk is als het ‘verantwoord’ kan. Dat vereist dan wel het vroegtijdig betrekken van alle belanghebbenden in de besluitvorming, nog voordat er wordt besloten tot een proefboring, betogen dr.ir Behnam Taebi en dr. Aad Correljé van de TU Delft.

De afgelopen jaren hebben we de ontwikkeling van nieuwe technologieën vaak genoeg zien stranden omdat ze puur technisch en technocratisch zijn benaderd. Het meest markante voorbeeld is de discussie rondom CO2-afvang en –opslag in Barendrecht, waarbij steeds werd benadrukt dat de risico’s beperkt en beheersbaar zijn. Hetzelfde dreigt nu te gebeuren met schaliegas. Het onlangs verschenen rapport van ingenieursbureau Witteveen+Bos concludeert dat de technologische risico’s goed te ondervangen zijn. De politieke weg naar proefboringen lijkt hiermee geëffend. Maar de complexe discussie over de acceptatie van schaliegas gaat niet alleen over de technische risico’s, dat benadrukt ook het deze maand verschenen rapport van het Rathenau Instituut Samen winnen. Gelukkig lijkt minister Kamp dit in te zien: we moeten het alleen doen als het ‘op een verantwoorde manier’ kan.

Maatschappelijk verantwoorde innovatie van schaliegas betekent onder andere dat de belangen van alle betrokkenen zoals burgers, gemeenten en bedrijven serieus worden meegenomen in de besluitvorming en de uitvoering van projecten. En die belangen komen lang niet altijd overeen. In ons onderzoek naar de acceptatie van schaliegas, dat aan de TU Delft wordt uitgevoerd in het kader van het NWO-programma Maatschappelijk Verantwoord Innoveren, kijken we naar de argumenten van voor- en tegenstanders. Die argumenten vinden een oorsprong in publieke waarden, oftewel zaken die we als samenleving van belang vinden. De minister noemt voortdurend energiezekerheid, het Nederlandse aardgas raakt op, maar er spelen ook andere publieke waarden, zoals veiligheid en duurzaamheid. De schoen wringt wanneer die belangrijke publieke waarden met elkaar in conflict komen. In een dergelijk geval moet er allereerst worden gezocht naar innovatieve oplossingen vanuit technologie. Een interessant historisch voorbeeld is de Oosterscheldekering die eerst alleen ontworpen werd om overstromingsrisico’s te verminderen, dus met ‘veiligheid’ als leidend criterium. Een volledige afdamming van de Oosterschelde bleek echter ecologisch zeer nadelig: de afsluitbare stormvloedkering bleek de technologische middenweg.

Bij schaliegas ligt het grote probleem bij het fraccen, waarmee grote hoeveelheden water en chemicaliën in de grond worden gepompt. Burgers maar ook drinkwaterbedrijven maken zich zorgen dat die chemicaliën in het grondwater terecht komen. Maar kan de technologie hier geen uitweg bieden zodat we zowel energiezekerheid als volksgezondheid tegelijk kunnen waarborgen? Het PvdA-Kamerlid Jan Vos merkt terecht op dat het Witteveen+Bos-rapport ‘schone en innovatieve methoden die mogelijk bij het winnen van schaliegas kunnen worden gebruikt’ niet voldoende meeneemt. Immers de weg naar maatschappelijke verantwoorde innovatie wordt ernstig belemmerd als bepaalde technologieën a priori worden uitgesloten.

Conflicten kunnen ook optreden omdat verschillende belanghebbenden verschillende prioriteiten stellen. Het Rathenau-rapport benadrukt terecht dat de voordelen van schaliegaswinning voor het rijk zijn, terwijl de lasten veelal lokaal worden ervaren. De publieke waarde rechtvaardigheid dicteert hier een eerlijke verdeling van de lasten en lusten. Daarbij moeten de randvoorwaarden helder worden vastgesteld: welke risico’s zijn aanvaardbaar, in welke mate, en voor wie? Ook eerlijke compensatie kan niet elke vorm van risico rechtvaardigen. Uiteraard is de discussie over aanvaardbaar risico niet louter technologisch: een antwoord kan alleen voortkomen uit een dialoog met de betrokken partijen. Uiteindelijk bepalen namelijk de ‘regels van het spel’ de daadwerkelijke effecten van schaliegaswinning voor de diverse betrokkenen. Deze effecten moeten we dus ‘vangen’ en ‘regelen’ in geschikte en betrouwbare procedures en wettelijke criteria.

Er is nog een ander belangrijk aspect van rechtvaardigheid, en dat is procedurele rechtvaardigheid, oftewel de regels van het besluitvormingsproces. Welke stem krijgen diverse betrokkenen i n de besluitvorming over de proefboringen en, als de politiek daartoe besluit, de latere exploitatie van schaliegas? Hoe gaan we om met de risicobeheersing? Hoe waarborgen we transparantie in de besluitvorming én in de communicatie van de technologische risico’s? Dat het ontbreken van dergelijke procedurele afspraken succesvolle participatie in de weg staat, is eerder dit jaar pijnlijk zichtbaar geworden: een aantal gemeenten en provincies is uit de klankbordgroep gestapt uit onvrede over een geheimhoudingverklaring die ze moesten tekenen voordat ze een technisch rapport mochten inzien. Ze gaven aan de transparantie naar hun burgers niet te kunnen waarborgen. Om een vergelijkbaar beleidsfiasco als Barendrecht te voorkomen moet de maatschappelijk verantwoorde innovatie centraal staan in het schaliegasdebat. Verantwoord schaliegas is een gepasseerd station als we hier niet vroegtijdig mee beginnen, in ieder geval nog voordat er een besluit volgt over de proefboringen. Rechtvaardigheid zal daarbij een sleutelrol spelen, zowel in het verdelingsvraagstuk van de lasten en lusten, als in de afspraken over de besluitvorming.

Dr. ir. Behnam Taebi is universitair docent en dr. Aad Correljé is universitair hoofddocent bij de afdeling Values el Technology aan de TU Delft.

Dit artikel is gepubliceerd in De Ingenieur d.d. 27-09-2013

Grenzeloze kapitaalvernietiging?

TBM-onderzoekers Emile Chappin, Laurens de Vries en Gerard Dijkema schrijven op dinsdag 8 november 2011 een column in het FD, Energy Selections: "Nu in Nederland alle lichten voor kernenergie op groen staan, blijkt het niet rendabel te zijn! Is dit een verrassing?"

Lees de hele column op de website van het FD.  

Essay TU Delft geoloog Ruud Weijermars ‘Gasrotondes van Europa raken leeg’ (FD 12 maart 2011)

Gasrotondes van Europa raken leeg. Laten  we snel leren van Noord-Amerika.

De VS en Canada hebben vroeg ingezet op het ontwikkelen van ‘onconventionele’ bronnen van aardgas. En terecht. Want anders wordt gas schaars en duur, zoals nu in Europa dreigt te gebeuren…  

Lees het hele essay (PDF).

Ruud Weijermars is geoloog en gasonderzoeker aan de TU Delft.

Column Laurens de Vries: de paradox van de energietransitie (FD Selections Energy, 10 maart 2011)

Bijna negentien jaar geleden organiseerden de Verenigde Naties in de Rio de Janeiro de conferentie waarop werd afgesproken om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Hoewel lang niet alle landen de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) getekend hebben, geeft dit verdrag wel aan dat er twee decennia geleden al veel consensus was over klimaatverandering.
Het verdrag van Rio leidde in 1997 – ook alweer veertien jaar geleden – tot het Kyoto Protocol, waarin de rijkste economieën zich concrete reductiedoelen stelden voor broeikasgassen. Ondertussen is de consensus over de aard van het klimaatprobleem toegenomen. Extreme sceptici zoals George Bush en Bjørn Lomborg hebben de onhoudbaarheid van hun positie ingezien. In het Verenigd Koninkrijk beschouwen de Conservatieven de energietransitie als een noodzaak, niet als een keuze.

Lees het hele column op: http://www.fdselections.nl/energie/Opinie/Columns/articleType/ArticleView/articleId/19689/De-paradox-van-de-energietransitie.aspx

Onderzoeker Energie en Industrie, Laurens de Vries schrijft samen met collega’s Gerard Dijkema en Emile Chappin een vaste column over de energiemarkt voor de rubriek FD Selections Energie. De onderzoekers werken aan de Technische Universiteit Delft bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management. Hun onderzoek is mede mogelijk gemaakt door de Stichting Next Generation Infrastructures.

Column Emile Chappin ‘Klimaat: van hoax naar actie’ (FD Selections Energie 11/2/2011)

Dat maatregelen die de gevolgen van klimaatverandering proberen te beperken of voorkomen voorlopig uitblijven, is een op lange termijn dure en mogelijk onhoudbare strategie.

De publieke discussie rondom klimaatverandering is een weersafhankelijke welles-nietesdiscussie. Een weekje koud weer in november wordt als belangrijk argument tegen klimaatverandering gebruikt. Maar 2010 benadert, ondanks het koude Nederlandse weer, wereldwijd het warmste jaar ooit en dat past goed in de IPCC voorspellingen. Lees de hele column via http://www.fdselections.nl/energie/Opinie/Columns/articleType/ArticleView/articleId/18620/Klimaat-van-hoax-naar-actie.aspx

Promovendus Energie en Industrie, Emile Chappin schrijft samen met collega’s Gerard Dijkema en Laurens de Vries een vaste column over de energiemarkt voor de rubriek FD Selections Energie. De onderzoekers werken aan de Technische Universiteit Delft bij de faculteit Techniek, Bestuur en Management. Hun onderzoek is mede mogelijk gemaakt door de Stichting Next Generation Infrastructures.

Energy policy is key at Davos

28 January 2011  

One of the key issues being debated at this year’s World Economic forum is energy policy, particularly how we best make the transition to clean energies of the future to mitigate global warming. Read the complete blog on Reuters. http://blogs.reuters.com/davos/2011/01/28/energy-policy-is-key-at-davos/

Laurens de Vries and Emile Chappin are researchers at Delft University of Technology. Much of their research is funded by the Next Generation Infrastructures Foundation. The opinions expressed are their own.

Column Financieele Dagblad ‘Stop de Offshoring van wind’ van TU Delft onderzoeker Energie en Industrie Gerard Dijkema

Terwijl Nederland zich concentreerde op het inrichten van de energiemarkt, bouwde Denemarken in de jaren negentig rondom windenergie een sterke nieuwe exportsector op en groeide het aandeel renewable energy naar 20%.

Ondertussen werd in ons land een groeiende windindustrie de nek omgedraaid door toenmalig minister Weijers. Het is zonde dat de Nederlandse overheid de kracht en potentie van wind destijds niet heeft ingezien, maar er zijn nog kansen om een kennisintensieve sector op te bouwen door een consistent en doelbewust beleid.

Lees de volledige column van onderzoeker Energie & Industrie Gerard Dijkema van de TU Delft op FD Selections Energie. http://www.fdselections.nl/energie/Opinie/Columns/articleType/ArticleView/articleId/17451/Stop-de-offshoring-van-wind.aspx

© 2011 TU Delft